Dapp’re strijder overleden

Groet voor een Groningse Amsterdammer met Fries bloed.

Op 30 december 2019 hoorde ik voor het laatst van Koos Koopal. Hij wenste me een prettige jaarwisseling en een strijdbaar 2020 en zond me zijn traditionele kerst- en nieuwjaaroverdenkingen. Het bleek een tekst van 48 pagina’s over toenemende bestaansonzekerheid en ongelijkheid in Nederland, mensen die worden buitengesloten en de sociaaldemocratie die daar geen antwoord op heeft. Koos stuurde me vaker zijn bespiegelingen over onrecht en onderzoeksvoorstellen maar bijvoorbeeld ook een uitgebreide literatuurlijst over de ggz en zijn inspraakreactie op het gebiedsplan Pijp/Rivierenbuurt van stadsdeel Amsterdam-Zuid.

Aan het begin van de coronacrisis overleed hij, thuis. De buren vonden Koos twee weken na zijn dood. In die weken was hij 68 geworden. Vrijdag 15 mei was de crematie en herdenken vrienden en familie hem in besloten kring.

Koos was een Groningse Amsterdammer met Fries bloed, geboren in de schaduw van de Olle Grieze, de  Martinitoren. In de jaren 70 studeerde hij politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, hij was assistent bij sociologie, later banenpooler en ID’er met een gesubsidieerde baan. Socioloog Kees Schuyt was een van zijn grootste inspiratiebronnen, Bob Dylan zijn idool, Ajax zijn club.

In het dagelijks leven hadden vooral mensen ‘met een vlekje’, zoals hij hen noemde, zijn aandacht: jongeren met een beperking, mensen in armoede, outsiders op de arbeidsmarkt en later ervaringsdeskundigen. Koos Koopal werd gedreven door een enorm ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Hij bleef de systeemwereld die zovelen uit- en buitensluit met onverstoorbare volharding en bewonderenswaardige vasthoudendheid aan de kaak stellen en zijn omgeving en de PvdA, de partij waarmee hij een haat/liefdeverhouding onderhield, met steeds dezelfde lastige vragen bestoken.

Koos wist waar hij het over had. Hij signaleerde de tekenen des tijds en hield de vinger aan de pols van de actualiteit door promoties, lezingen en congressen bij te wonen en publicaties vanuit de politieke en academische wereld te volgen. Zijn boekenkast dijde uit. Zelf schreef Koos een imposant aantal megateksten bij elkaar. Hij deelde zijn kennis met iedereen, gevraagd en ongevraagd.

Koos was een betrokken, gevoelige en soms eigenwijze man. Een rol ‘spelen’ was niets voor hem noch nam hij veel van je aan. Koos was wie hij was. Hij beet zich vast in thema’s als intergenerationele armoede, verzamelde en ordende materiaal daarover en zond zijn wijsheid de wereld in. Het articuleren van zijn onderzoeksvragen en bevindingen ging hem minder goed af. Wetenschappelijke erkenning bleef uit.

Koos werd echter goed gehoord in zijn enorme netwerk en vele contacten onder beleidsmakers, bestuurders, politici en medebewegers. Zij vonden hem ook sympathiek. De waardering voor zijn inzet onder mensen in kwetsbare situaties was groot. ‘Hij zag outsiders wél,’ zegt een strijdmakker, ‘ongeacht hun achtergrond.’

Ik bekijk zijn kerst- en nieuwjaaroverdenkingen uit december 2019 opnieuw. Koos stelt dat er in Nederland een moderne onderklasse is ontstaan, vooral in de grote steden: mensen die er niet meer bij lijken te horen. Neoliberaal beleid houdt een illusie van zelfredzaamheid in stand, schrijft hij, waarin onvoldoende rekening wordt gehouden met de afstand tussen denk- en doenvermogens van kwetsbare mensen. Daardoor is er spanning tussen de systeem- en leefwereld en ontstaan onbehagen, populisme, polarisatie en verdeeldheid waar de politiek geen antwoord op heeft. Tussen de klassieke verzorgingsstaat en huidige participatiesamenleving moet wat hem betreft een ‘sociale investeringsstaat’ staan. ‘Kwetsbare burgers, al dan niet met een (meervoudige) beperking, hebben zekerheid en collectieve dienstverlening nodig.’

Koos Koopal ging zelf steeds meer horen tot de groep mensen wiens lot hij zich aantrok. Als 60+’er was hij blij eindelijk verlost te zijn van ‘bemiddelaars en toeleiders,’ zegt een vriend, die hem erg gaat missen. Ook Koos heeft nooit helemaal mee mogen doen.

Strijdbare groet

met dank aan André van Vught, Astrid Philips, Martin Stam en Jeroen Sprenger