Een rusteloze geleerde in opleiding

Hij intrigeert me, de jonge meneer D. Hij bekwaamt zich op terreinen als filosofie, geschiedenis, kunst en journalistiek en laat via blogs en artikelen bijna dagelijks van zich horen. Bovendien werkt hij aan zijn proefschrift over geesteswetenschappen. Wie is deze vulkanische veelvraat, wat is zijn drive, hoe moeten we hem plaatsen en wil hij alleen beschouwen en roepen of ook invloed en macht uitoefenen? D. wil, zolang hij nog geen wijsgerige boeken op zijn naam heeft staan, niet geïnterviewd worden. Maar de professor in wording laat zich toch verleiden tot een gesprek. Op voorwaarde van anonimiteit. ‘M’n ijdelheid hoeft niet gestreeld.’

 

‘De metafoor van vulkaan zou ik voor mezelf niet gebruiken,’ aldus D., ‘maar ik ben inderdaad te rusteloos om me op één ding te concentreren. Ik heb de behoefte om ‘alles’ te weten en zoveel mogelijk dingen te doen op zoveel mogelijk terreinen. Ik kan me slecht voorstellen dat anderen die belangstelling níet hebben.’ Hoe het is gekomen? ‘In 2004 maakte ik een treinreis langs Duitse steden en zag de buste van Immanuel Kant, filosoof van de Verlichting, naast die van romanticus Goethe. Dat wekte m’n belangstelling voor de spanning tussen Verlichting en Romantiek. Naar aanleiding van die reis heb ik de notie van Bildung begripshistorisch uitgediept. Je kunt de ontwikkeling van algemene vorming en ontwikkeling plaatsen in de historie van de verwetenschappelijking van de geesteswetenschappen. Mijn intellectuele fascinatie heeft overigens een sterk emotionele lading. Ik ben noch een dorre rationalist noch een emotionele zwerver, meer van allebei een beetje. Ik ga op een intellectuele manier om met kunst en zit in m’n dagelijkse wetenschapspraktijk heel saai door oude boeken te bladeren. Ik wil me intellectueel niet beperken en vermijd een vakhistoricus te worden. Ik had ook een proefschrift kunnen schrijven over de geschiedenis van de voetnoot.’

 

Eruditie als ideaal

D., geboren in 1987, schrijft over muziek, theater, poëzie, taalwetenschap, geschiedenis en politiek en legt soms verbanden tussen verschillende disciplines. D.: ‘Ik beschouw bijvoorbeeld kunst als antropologisch raadsel en illustreer m’n stuk hierover vervolgens zelf. Maar aan interdisciplinair werken zitten ook begrenzingen. Onderzoek naar de geschiedenis van geesteswetenschappen heeft geen link met actuele kunst of culturele discussies. Wel kun je concepten van het ene naar het andere veld brengen, zoals antropologie naar de kunsten. Zomaar feitenmassa’s samenvoegen is zinloos. Ik heb voor mezelf duidelijk gesteld: filosofie en geschiedenis zijn m’n hoofdbezigheden en de rest is bijzaak.’

Dat neemt niet weg dat zijn nevenactiviteiten als kunst recenseren serious business is. ‘Het is niet vrijblijvend wat ik schrijf over bijvoorbeeld kunst en muziek. Hoewel ik schrijf in het weekend, als het brein moe is, ben ik geen zondagsschrijver. Recensies zijn makkelijker dan academische artikelen. De verifieerbaarheid is kleiner.’

Zijn ideaal is breed geleerd zijn en dat virtuoos over het voetlicht brengen, in woord en geschrift. D.: ‘Ik wil vanuit mijn eruditie commentaar leveren en een helikopterview geven. Ik wil impact hebben met minimale middelen en met een zekere mate van virtuoze geste. De effecten die ik met mijn artikelen beoog zijn mensen op nieuwe ideeën te brengen. Ik wil hen laten zien dat de wereld zoveel interessanter is dan ze weten, mijn fascinatie en enthousiasme overbrengen, zonder dat ik Messianistische neigingen heb. Maar ik wil ook een beetje irriteren, mensen inwrijven hoe saai en dom ze zijn.’ D. lijdt niet aan zelfoverschatting (‘Ik recenseer muziek maar kan geen noten lezen, ik kan me niet goed concentreren en als ik een verhaal houd, loop ik breed gebarend door de zaal en vraag me geregeld af waar ik het over heb. Ik wil er geen grote D. Show van maken.’), maar zelfbewust en ijdel is hij zeker. En apart. Hij wil bijvoorbeeld geen kinderen. ‘Die lijken me niet intellectueel uitdagend.’ Ook de een tv wil hij niet, te banaal. ‘Vrijwel alles wat ik doe is vreedzaam protest, maar die combinatie van charmeren en irriteren word me niet altijd in dank afgenomen.’

 

Kunst en politiek

Hij ligt ’s nachts niet te woelen over maatschappelijk onrecht en heeft geen politieke pretenties of ambities, aldus D., maar mensen die iets tegen onrecht doen, hebben zijn grote bewondering. ‘Vroeger was ik activist en zat ik bij een cultureel krakerscollectief. Ik was vooral in de artistieke kant geïnteresseerd. Als ik dingen moest doen waar ik tegen was, drukte ik me. Die jaren in het collectief waren leerzaam, om me te realiseren dat ik geen politiek dier ben. Ik ben wel kwaad over onrecht in de wereld, zoals aantasting van burgerlijke vrijheden, subtiele vormen van repressie en cultuurbezuinigingen, maar ik doe er niets mee. Meer dan het politieke, zoek ik het artistieke debat, met duiding en satire.’

Opvallend is zijn visie op de bescheiden plaats van kunst: die moet volgens D. uit het politieke domein wegblijven. ‘Kunstenaars mogen onze blik wel verbreden en kunst als actiemiddel inzetten, prikkelen, dingen mooier maken, iets toevoegen aan de samenleving. Maar zelfs geëngageerde kunst blijft maatschappelijk marginaal. Op het moment van besluitvorming, moet je geen kunst meer maken, als een politiek besluit is gevallen, houdt de inbreng van de kunst op. Een Nederlandse kunstenaar wil zelfs terroristen in het democratisch debat betrekken. Ik vind het aanmatigend om als geprivilegieerde westerse kunstenaar op het democratisch tekort in andere landen te wijzen. Ik vind het zelfs gevaarlijk dat hij poseert als kunstenaar om de democratie daar op te rekken en zich tegelijkertijd buiten de politiek plaatst. Hij hoeft geen verantwoording af te leggen. Dat is quasi kunstenaarschap. Gebruik maken van de instituties in de kunstwereld die in de realiteit op locatie niet mogelijk is, dat is selfkicking. Denk en doe wild, zou ik zeggen, maar je moet wel corrigeerbaar zijn.’ D. betwijfelt of kunst meer kan en moet dan het nastreven van artistieke doeleinden.

Hoewel het slecht bij zijn imago past, lijkt D. wel degelijk maatschappelijk bewogen. Ironie is zijn grondhouding, maar zodra het bijvoorbeeld over asielbeleid en de gevolgen daarvan voor vluchtelingen gaat, is dat ‘verboden’.

We gaan van hem horen, van D., én lezen, maar dan onder z’n volledige naam.