Kinderen van ouders met psychische problemen in beeld

‘Ik had het fijn gevonden als ik vroeger was gezien. Door de omstandigheden thuis mocht ik niet ziek zijn.’

‘Mijn moeder is godsdienstwaanzinnig, ze meent dat zij uitverkoren is door God. Ze is onvoorspelbaar en kan opeens omslaan van boos naar heel erg blij,’ vertelt Saskia (21). Zij is de jongste dochter van een aan alcohol verslaafde vrouw met psychische problemen. ‘Ze weigert behandeling, dus we weten niet precies wat ze heeft. Waarschijnlijk heeft ze ook borderline.’ Haar moeder kwam voortdurend in conflict met instanties. Niemand informeerde destijds naar de kinderen, er werd niet ingegrepen. Saskia heeft haar leven nu goed op orde, maar bezoekt nog altijd een psycholoog.

Kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblematiek hebben grote kans later zelf psychische klachten te krijgen. ‘We moeten ons bewust zijn van de mogelijke impact op een kind van een ouder met een psychische stoornis, zegt Nellieke de Koning, directeur Intensieve Behandeling GGZ Noord-Holland Noord. ‘Als wij hier samen met collega instellingen voor volwassenenzorg en wijkteams van de gemeenten werk van maken, kunnen we bijdragen aan het voorkomen van psychische problemen bij kinderen.’

KOPP/KVO kinderen worden zij genoemd, kinderen van ouders met psychische en/of verslavingsproblemen. Het Trimbos-instituut schat dat er in Nederland rond 577.000 kinderen onder de 18 jaar opgroeien als Saskia. De onderzoeksgegevens waar Trimbos zich op baseert, hebben alleen betrekking op aandoeningen als depressie, angststoornis en ADHD en verslaving aan alcohol of drugs. Van bijvoorbeeld ouders met psychose, schizofrenie of borderline, zijn geen recente gegevens beschikbaar. Vermoedelijk is het aantal KOPP/KVO kinderen groter dan de genoemde 577.000. De gevolgen van opgroeien met een psychisch zieke of verslaafde ouder kunnen heel groot zijn.
De thuissituatie bij Saskia was onveilig, onstabiel en soms gewelddadig, vertelt ze. ‘Mijn moeder stootte iedereen van zich af en trok ze dan weer aan. Als ze dronken was, kon ze gevaarlijk worden, soms was ze bewusteloos. M’n vader, afkomstig uit Irak, is vlak voor mijn vierde verjaardag weggegaan. Hij mocht van m’n moeder geen contact met ons hebben.’
Saskia vertrouwt mensen niet en heeft last van verlatingsangst. Ook zegt ze ‘een erge pleaser’ te zijn. ‘Vroeger was dat overlevingsstrategie, nodig om mijn moeder blij te houden. Maar ik ben nog altijd zo.’ Als kind kwam ze vaak bij de huisarts, onder andere met hoofdpijn en slaapproblemen. Die weet de klachten aan stress. Haar broer vocht soms met hun moeder en haalde dingen uit, waarvoor hij meermaals in de gevangenis zat. Toen Saskia’s moeder haar zus verwondde, vermoedelijk in een waan of psychose, zijn zij en haar zus naar hun oma gevlucht. Saskia was toen veertien, haar zus vijftien.

Parentificatie

Wetenschappelijk onderzoek uit 2010 en 2011 wijst uit dat KOPP/KVO kinderen zich als opgroeiend kind vaak verantwoordelijk voelen voor hun zieke ouder, zogeheten parentificatie, van school verzuimen en probleemgedrag ontwikkelen. Een zieke en/of verslaafde ouder heeft doorgaans weinig aandacht voor het kind, weet niet wat het voelt of uitspookt en is vaak geen goede opvoeder. Peuters kunnen hechtingsproblemen krijgen en ontwikkelingsachterstand oplopen, grotere kinderen een depressie, een angst- of een persoonlijkheidsstoornis. Bovendien is het risico op kindermishandeling groter dan in een gezin zonder geesteszieke of verslaafde ouder. Een derde van de KOPP/KVO kinderen krijgt als jongere of volwassene zelf ernstige psychische klachten. De kans dat zij een beroep doen op professionele hulp, is groot.

Bij Sjors, nu 25 jaar, was dat het geval. Hij kwam als twaalfjarige al bij de Ggz, via de huisarts. ‘Ik was een angstig kind, werd veel gepest en had zware depressies.’ Zijn moeder werd ernstig ziek toen hij dertien was. ‘M’n moeder en ik waren heel close, ze was een warme vrouw. Mijn vader was voor werk afgekeurd vanwege z’n rug en longen. Hij zocht troost in de drank, vond dat geen probleem en wilde niet worden behandeld. Hij erkende mijn aandoening ook niet. “M’n moeder was al ziek, ík moest normaal doen”, vond hij. Met m’n moeder heb ik wel kunnen praten over m’n depressies en suïcidale gedachten. Zij accepteerde die maar begreep ze niet. Zíj vocht juist om in leven te blijven,’ zegt Sjors. Oma kwam inwonen en voedde hem en z’n zus verder op. Zij begreep weinig van z’n problemen. ‘De generatiekloof was te groot.’ Bij de Ggz kon hij praten, thuis niet. Het moment dat hij afscheid moest nemen van z’n moeder, ging het fout. ‘Ik nam al m’n opgespaarde pillen in en werd dagen later wakker in het ziekenhuis. Daarna werd ik opgenomen.’
Ook Saskia komt uiteindelijk bij de Ggz terecht. ‘Ik deed op school nooit mee met gym, omdat ik paniekaanvallen, hoofd- en buikpijn had. Veel mensen in onze omgeving wisten dat er iets mis was thuis en ook bij vriendinnen vertelde ik erover. Niemand ondernam iets, ouders van vriendinnen, leerkrachten, GGD onderzoekers op school noch de huisarts.’ Op een gegeven moment ging het zo slecht met haar dat haar moeder vond dat ze met een psycholoog moest praten omdat ze ‘gek’ was. Saskia: ‘De Ggz was de eerste die me serieus nam.’

In beeld
Niet alle KOPP/KVO kinderen hebben, in hun jeugd of later, extra zorg nodig. Wetenschappers stelden vast dat onder andere de aanwezigheid van een betrokken, gezonde ouder of andere volwassene kan voorkomen dat zij ernstige schade oplopen. Hulpverleners van cliënten in de Ggz of verslavingszorg met een gezin zouden moeten checken of het goed gaat met de kinderen of dat zij risico lopen. Dat is momenteel niet altijd het geval, omdat zorg meestal vraaggericht is en de cliënt centraal staat. Professionals vragen niet standaard naar het welzijn van de kinderen. Bij ‘zorgmijders’ als de moeder van Saskia en de vader van Sjors is het zelfs al moeilijk de cliënt zelf te bereiken.
GGZ Noord-Holland Noord (NHN) verleent de zorg aan cliënten zoveel mogelijk in de eigen omgeving, onder het motto Beter worden doe je thuis. De organisatie wil kinderen van cliënten met acute ernstige psychiatrische problematiek beter in beeld krijgen, om eventuele risico’s voor hun gezondheid of ontwikkeling zo vroeg mogelijk te signaleren. GGZ NHN liet daartoe in 2014-2015 een project uitvoeren om het Intensive Home Treatment-team (IHT), het crisisteam, bewuster te maken van mogelijke risico’s voor kinderen. Het project is onderdeel van het programma In voor mantelzorg van het ministerie van VWS. Hulpverleners van het IHT-team werken nu met tools om zicht te krijgen op de situatie waarin de kinderen opgroeien, gesprekstechnieken om met hen in contact te komen en hen zo nodig door te verwijzen voor hulp of ondersteuning. ‘Zij waren huiverig de kinderen ter sprake te brengen bij hun cliënten. Dat is nu normaal geworden, ook ter ondersteuning van de cliënten trouwens,’ zegt Marijke Vellekoop van GGZ Noord-Holland Noord.
Majella Olbers is verpleegkundige in het IHT-team. Zij is aangewezen om met de kinderen van cliënten te praten, na eigen huisbezoek of na doorverwijzing door collega’s. ‘Ik heb nu met elf kinderen gesproken, in verschillende leeftijdsgroepen maar de meesten rond 10-12 jaar. Het gaat tot nu toe vooral om lichte problematiek. Van één kind weet ik dat Jeugdzorg er bovenop zit. De kinderen met wie ik sprak vonden het fijn dat ze hun verhaal konden doen. Eén van hen wilde graag lotgenotencontact, de anderen wilden vooral een luisterend oor. Zij willen serieus worden genomen. Een enkeling wil juist géén contact met ons. Als wij ons zorgen maken, loopt een eventuele verwijzing naar de huisarts of hulporganisatie via de SPV’er in het IHT-team.’
‘Om de preventieve werking te vergroten van de blik ook richten op kinderen van cliënten, heeft GGZ NHN besloten dat ook andere teams binnen de organisatie op deze wijze gaan werken,’ vult directeur Nellieke de Koning aan.

KOPP-groep
GGZ NHN informeert KOPP/KVO kinderen over lotgenotencontact en sites als http://www.kopstoring.nl/site/Kopstoring/. ‘Met samenwerkingspartners de Brijderstichting en Triversum bieden we KOPP/KVO-groepen aan, voor de leeftijdsgroepen 4-8, 8-12 en 13-16 jaar,’ vertelt Marijke Vellekoop. ‘Kinderen kunnen ervaringen uitwisselen en ondersteuning krijgen. De groepen hebben effect. Zij verminderen negatieve gedachten over zichzelf en verhogen het gevoel sociaal geaccepteerd te worden.’ Sinds maart 2015 is er financiering van deze groepen beschikbaar. Gemeenten zijn nog zoekende naar de juiste vorm. ‘De ene gemeente wil afrekenen per deelnemend kind, de ander eist dat het sociale wijkteam eerst de urgentie vaststelt voordat een kind kan meedoen aan een KOPP-groep. Hoe meer drempels je opwerpt, hoe moeilijker we kinderen van psychisch zieke of verslaafde ouders kunnen bereiken.’ En daar is het toch allemaal om begonnen. Doel is structurele financiering van de KOPP/KVO-groepen, omdat deze kinderen in de knel langdurige begeleiding nodig hebben. ‘Gemeenten hebben een preventieve taak in verband met deze risicogroep. Net als wij zouden ook sociale wijkteams problemen van deze kinderen moeten signaleren, hen informeren en zo nodig doorverwijzen. Het zou goed zijn als de wijkteams standaard vragen naar de situatie van kinderen wanneer er moeilijkheden zijn in een gezin.
Dat kan een beroep op professionele hulp later helpen voorkomen,’ aldus Marijke Vellekoop.

Ervaringsdeskundigheid
Bij Saskia schakelde de Ggz de Kinderbescherming in. Zij en haar zus werden onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Zij bleven bij hun oma. Nu studeert Saskia, ze woont in een studentenhuis. Zij vindt het belangrijk dat gemeenten door de Wmo en de nieuwe Wet op de jeugdzorg steeds meer aandacht hebben voor signalering, maar ziet ook problemen. ‘Ik word als ervaringsdeskundige vaak gevraagd m’n verhaal te doen voor medewerkers van de GGD, de Ggz, het wijkteam en de gemeente. Gemeenten moeten gaan signaleren en doorverwijzen, maar er zit veel bureaucratie in de weg. Een ouder moet nu naar de gemeente om hulp te krijgen voor een kind, dan moet het naar de huisarts of het Centrum voor jeugd en gezin, etc. In plaats van korter, worden lijnen langer. Nieuwe beleidsregels verhinderen snelle interventie. Bovendien schiet de kennis van de gemeente tekort.’
Saskia is net opnieuw begonnen bij een psycholoog, vanwege PTSS en verlatingsangst.

Sjors is afgestudeerd als ervaringsdeskundige en werkt nu een paar jaar bij de Ggz. Zijn team waarin behalve Ggz ook de verslavingszorg zit, richt zich op 18-65-jarigen. ‘Wij kwamen bij een mevrouw die haar kinderen, van 9 en 11 jaar, al twee jaar thuis had gehouden. Ze leefde in een waan. Hoe is het mogelijk dat iemand haar kinderen twee jaar kan thuishouden? Kinderen komen pas in beeld als de ouders bij ons terechtkomen. Wij gaan nu samenwerken met gebiedsteams, waar onder andere de politie en woningcorporatie in zitten. Die teams hebben te weinig kennis over de psychiatrie en verslaving. Zij zijn nog zoekende.’
De nadruk op eigen kracht en zelfredzaamheid in het huidige beleid, baart hem zorgen. ‘Gemeenten en hulpverleners moeten zich bewust zijn dat psychische en verslavingsproblemen van ouders iets met hun kinderen doet. Zorg moet nu vooral thuis gebeuren, maar voor sommige kinderen is het daar gewoon niet veilig. Als er woede speelt of een psychose, dan is dat niet altijd bespreekbaar. Je bereikt kinderen niet als ze bang zijn. School heeft hier een rol in en het gebiedsteam moet eropaf. Ik had het fijn gevonden als er iemand bij ons thuis was geweest en was gezien. Door de omstandigheden thuis mocht ik niet ziek zijn.’