Vadertje staat drukt zijn snor én zijn stempel

De overheid trekt zich steeds verder terug uit de verzorgingsstaat, maar wijst ons ook op eigen verantwoordelijkheid en zorgen voor de buurman. september – Waterstof #67

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) beoogt dat mensen met een beperking maatschappelijk meedoen en burgers hun hulpbehoevende medemensen steunen. Wat de overheid in 2007 met deze wet in gang zette, is niet minder dan een ‘hardhandige affectieve revolutie’ geworden. Dat stellen Evelien Tonkens en Jan Willen Duyvendak in de bundel De affectieve burger. Hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid, die in mei 2013 verscheen.[1] Paradoxaal is dat de overheid zich tijdens deze ‘revolutie’, met als inzet de versobering van de verzorgingsstaat, tegelijkertijd terugtrekt en burgers dicteert wat zij moeten doen.

 

Affectief

Een groep sociale wetenschappers onderzocht de afgelopen vijf jaar onder leiding van Tonkens en Duyvendak hoe de gewenste participatie en zorgzaamheid van de burger in de praktijk gestalte kregen. Parallel hieraan liep het onderzoek naar actief burgerschap in de wijk en de gevolgen van de Wmo voor burgers en professionals, dat resulteerde in de bundel Als meedoen pijn doet. Affectief burgerschap in de wijk.[2]

Pijlers van de beoogde zelfzorg- en participatiemaatschappij zijn zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van burgers die hulp nodig hebben en actieve solidariteit van hun sterkere zusters en broeders. Zij moeten de benodigde zorg en begeleiding van hun naasten zoveel mogelijk van professionals overnemen. Doel is de onafhankelijkheid van overheidsvoorzieningen te vergroten en de kosten van de verzorgingsstaat in te dammen. Met de Wmo heeft het aan die wet voorafgaande beroep op actief burgerschap er een emotionele dimensie bij gekregen. Het gaat hier om zorg en welzijn, om de intieme en onderlinge verhoudingen in familie en buurt, om een beroep op zorgzaamheid voor de naasten. Om die verschuiving zichtbaar te maken, introduceren de onderzoekers het begrip affectief burgerschap. Burgers moeten iets terug doen voor hun uitkering en naar elkaar omkijken. En die inzet moet voelen als iets dat uit henzelf komt, eigen verantwoordelijkheid en zorgzaamheid moeten worden verinnerlijkt.

Met zachte drang en dwang

Omdat de burgers na decennia staatsverzorging van de wieg tot het graf niet vanzelf in de rol glijden die de overheid van hen verwacht, stuurt vadertje staat actief aan. Werklozen moeten vrijwilligerswerk doen, mantelzorgers extra zorg verlenen aan hun zieke familieleden en bijstandsgerechtigden moeten als tegenprestatie post bezorgen of groen onderhouden.

De onderzoekers en schrijvers van De affectieve burger zoemen in op de wijzen waarop de geesten rijp worden gemaakt voor eigen verantwoordelijkheid en actieve solidariteit. Mantelzorgers worden in het zonnetje gezet, zorgafhankelijkheid wordt gebagatelliseerd. Ouderen en mensen met een beperking, eerst bevrijd van de vroegere afhankelijkheid van familie en erkend in hun zorgvraag (met bijbehorende bureaucratische indicatiestelling), moeten weer aankloppen bij hun kinderen, broers, zussen, ouders en andere mantelzorgers. Nu is daar nog weerstand tegen, maar als er geen professionele hulp beschikbaar is moeten ze wel. Zelf doen is het nieuwe geholpen worden. Werklozen en bijstandsgerechtigden moeten hun handen uit de mouwen steken; doen zij dat niet, dan volgt een korting. Werk verrichten met behoud van uitkering komt ten goede aan hun gevoel van eigenwaarde, ze voelen zich weer nuttig. Tot het moment dat er geen vervolg op het ‘verplichte vrijwilligerswerk’ blijkt te komen, zij sociaal niet verder stijgen en ook nog eens flink veel minder ‘verdienen’ dan hun collega’s.

Emancipatieboemerang

Zelfhulp, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Het zijn woorden met historisch een progressieve lading en bevrijdende werking, verbonden met emancipatiebewegingen van vrouwen, psychiatrisch patiënten, mensen met een handicap, migranten en ouderen. De doe-het-zelfbeweging van nu zet gemeenschapsvoorzieningen als stadsmoestuinen en zorgcoöperaties op en wekt eigen energie op. Wat is het probleem nu de overheid die emancipatiedoelen voor eigen gewin inzet en mensen aanspoort eerst de ‘eigen kracht’ aan te boren en pas in uiterste nood een beroep op overheidsvoorzieningen te doen? Tonkens en Duyvendak erkennen de voordelen als vergroot zelfrespect van ‘iets terug doen’ voor je uitkering en erkenning door anderen. Maar in de praktijk is ook vrijwilligerswerk bemachtigen een ratrace geworden, met uitvallers en een glazen plafond voor de gelukkigen die een vrijwilligers- of stageplek bemachtigen. Zij onderscheiden daarnaast verschillende nadelen en gevaren. Mantelzorgers, voor het merendeel vrouwen, zijn al overbelast. Een nog groter beroep op zorg voor familieleden – naast de betaalde baan die de zelfstandige-meid-die-op-haar-toekomst-is-voorbereid heeft – vergroot de toch al ongelijke taakverdeling tussen de seksen. Afhankelijke ouderen en mensen met een handicap zijn terug bij af wanneer ze geen recht meer hebben op begeleiding of dagbesteding, maar moeten afwachten wat hun dierbaren voor hen (kunnen) doen. Het verminderen van het professioneel zorgaanbod betekent bovendien een verschraling van de hulp die mensen nu ontvangen (en waarvoor ze jarenlang premie hebben betaald), voor mensen met een laag inkomen die geen zorg kunnen inkopen een enorme verschraling. Onvrijwillige zorg- en dienstverlening in de eigen familiekring of buurt kan ook leiden tot seksueel misbruik en mishandeling. Zorgprofessionals, ten slotte, worden uitgerangeerd of kille uitvoerders van het nee dat zij moeten verkopen.

Het is die ‘dwingende agenda’ van de overheid die Tonkens en Duyvendak ertoe brengen van een ‘hardhandige revolutie’ te spreken. Je zou het ook contrarevolutie kunnen noemen, waarbij de grote mondige burgers de eis om de regie over hun leven en lichaam te heroveren nu als een boemerang terugkrijgen. Het zijn vooral de burgers die door ziekte of andere tegenslag hun krachten verliezen en graag geholpen willen worden, die hier de tol voor betalen.

De affectieve burger en Als meedoen pijn doet vormen een weerslag van veel en jarenlang empirisch onderzoek in wijken en organisaties. Dat maakt beide publicaties zeer waardevol voor actieve burgers en opinionleaders, gemeenten, woningcorporaties, zorginstellingen en (vrijwilligers)organisaties. De theoretische reflectie op overheidshandelen en burgerbewegingen is afgewogen kritisch. Met het tegenwoordig veelgebruikte adagium ‘eigen kracht’ bijvoorbeeld wordt niet gedweept, noch de potentie ervan onderschat.

De intrede van het emotievocabulaire, met alle taalfamilieleden die daar bij horen, betreur ik echter. De ‘pijn’ van het meedoen, de ‘affectieve’ burger: waarom? Als de auteurs daarmee de depolitisering willen aanduiden van de communicatie tussen overheden en burgers, is dat verhelderend. Het strijdtoneel is immers niet langer (alleen) het publieke domein waar politieke en maatschappelijke participatie, inspraak en medezeggenschap gelden, maar juist de persoonlijke levenssfeer. Verwarrend is echter dat ‘affectie’ topdown wordt neergezet: de overheid die burgers liefdevol aan het zorgen zet en hen laat denken dat ze dat zelf hebben bedacht. Terwijl burgers, wij, dat grotendeels zelf hébben bedacht, met onze lotgenotengroepen, ervaringsdeskundigheid en doe-het-zelf bewegingen. Gevoelens in de analyse opnemen ver’mindfulness’t het vertoog en doet denken aan mantra’s als ‘Heb uw naaste lief’. Een ander woordenspectrum zou wenselijk zijn.



[1] De affectieve burger. Hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid onder redactie van Thomas Kampen, Imrat Verhoeven en Loes Verplanke, Van Gennep Amsterdam, 2013. De bundel verscheen als een van de twee delen van het jaarboek van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken. Het andere deel heet Als meedoen pijn doet, onder redactie van Evelien Tonkens en Mandy de Wilde.

[2] Beide onderzoeken zijn mede mogelijk gemaakt door respectievelijk Platform 31, het VSB Fonds, Aedes en verschillende woningcorporaties.