Topdown welzijnsbeleid

Beleid rond sociale participatie verhuist van het rijk naar gemeenten. Welzijnsorganisaties boren eigen kracht burgers aan. Vernieuwing moet van onderop komen. Waarom voert landelijke overheid dan ‘t hoogste woord op welzijnscongres?site Zorg + Welzijn – mei 2011

Een paar weken geleden verweet Bert Holman, projectleider Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van het ministerie van VWS, de welzijnssector te afwachtend te zijn wat betreft het aanjagen van vernieuwingen in haar werk. De sociale sector kijkt hiervoor volgens hem teveel naar de overheid.

Heeft de overheid dat niet een klein beetje aan zichzelf te danken? De veranderingen die in 2007 met de Wmo kwamen, waren nog (deels) een beleidsmatige vertaling van ontwikkelingen in de samenleving. Maar de laatste jaren zijn de rollen omgedraaid. De overheid zorgt zélf voor wijzigingen in sociaal beleid, noemt die vernieuwingen en het zijn (toevallig?) tegelijkertijd ook steeds bezuinigingen. Zij legt vernieuwingen als Welzijn Nieuwe Stijl van bovenaf op aan gemeenten, zorg- en welzijnsinstellingen. Kenniscentra als MOVISIE en Vilans krijgen de opdracht proefprojecten te draaien, nieuwe methodieken te ontwikkelen en die aan gemeenten en welzijnsorganisaties over te dragen.

Het grote, landelijke welzijnscongres op 25 mei is exemplarisch voor dit eenrichtingsverkeer. Ruim 800 mensen uit het veld, vooral sociale/zorgprofessionals en lokale ambtenaren, luisteren achtereenvolgens naar een topambtenaar van het ministerie voor VWS, twee oud-bewindslieden en een wethouder. De sprekers lichten nieuwe structuren en dwarsverbanden toe tussen welzijn, zorg, sociale zaken en arbeidsre-integratie en houden sociale professionals voor dat zij anders moeten werken. Ze moeten beter samenwerken, meer generalist worden, meer maatwerk leveren, meer op de burger afstappen en probleemsignalen uit de wijk eerder oppikken. Meer nog dan voorheen staat volgens de sprekers de burger centraal. De directeur van de Chronisch zieken en Gehandicaptenraad (CG-Raad) dient hen van repliek. ’s Middags, na de iets meer praktijkgerichte workshops, waarvan iedereen er twee kan volgen, komen de congresgangers weer allemaal bijeen in de grote congreshal voor de paneldiscussie. Daar spreken andere politici, directeuren en bestuurders het veld toe.

Gespreksleider Pieter Hilhorst heeft de aanwezigen ‘s ochtends gevraagd een kwetsbare burger in gedachten te nemen, voor wie de sociale sector het allemaal doet. Dat wordt Nadira, een geïsoleerd levende asielzoekster. Verder zijn burgers in geen velden of wegen te bekennen. En ook de sociale professionals spelen slechts een marginale rol. Zij stellen vragen vanuit de zaal of plaatsen kritische kanttekeningen bij het door de beleidsmakers beoogde succes van de combinatie van vernieuwingen en bezuinigingen.

Het geeft te denken. Een private partij organiseert een dure dag (deelname kost standaard € 299,-, vaste klanten krijgen korting), waarop het ministerie, als een live circulaire, ambtelijk komt vertellen wat komend jaar het beleid is. De peptalk wordt overgelaten aan twee oud-staatssecretarissen, de huidige bewindspersoon laat zich niet zien. De landelijke overheid trekt zich steeds verder terug en decentraliseert het beleid, maar heeft het hoogste woord. Uitgerekend bij de jaarlijkse ronde kennis bijspijkeren over maatschappelijke activering en participatie, staan de hoofdrolspelers langs de kant. Het veld wordt, om de metafoor door te trekken, bespeeld door coaches, clubbestuurders en arbiters in plaats van door voetballers.

Dat Bert Holman, de genoemde projectleider Wmo bij VWS, een paar weken geleden constateerde dat ‘de door kennisinstituten opgezette projecten en interventies niet landen in het veld’ is niet zo gek, toch?! Hoe interactief de opzet van een congres ook is, de handreikingen, transities en nieuw uitgestippelde beleidslijnen hebben het inspiratievermogen van een stroomkast.

Misschien dat volgend jaar de politici, rijksambtenaren en bobo’s eens in de zaal plaats moeten nemen en professionals hen vanachter het spreekgestoelte vertellen hoe zij, ondanks de hindernissen die wetten en regelingen kunnen opwerpen, burgers in beweging krijgen.