‘Sociaal werker is geen garagehouder maar wegenwacht: ga op mensen af!’

Een impressie van het Congres Welzijn Nieuwe Stijl 2010.

De participatiewet Wmo leidt vooralsnog niet tot meer actieve deelname van kwetsbare mensen aan de samenleving. Wel heeft het uitgaan van de hulpvraag van cliënten, zogenoemde vraagsturing, meer zelfredzaamheid tot gevolg. Behalve onder Ggz-cliënten. Welzijn Nieuwe Stijl weet hen nog onvoldoende te bereiken.

Congres Wmo en Welzijn Nieuwe Stijl 2010

Zorg + Welzijn, platform voor sociale professionals, organiseerde eind mei een                  tweede landelijk congres over Welzijn Nieuwe Stijl. Er kwamen rond de 600 mensen op af, vooral professionals uit de sociale sector en gemeenteambtenaren. Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in 2007 zijn enkele AWBZ-taken overgeheveld naar gemeenten, zoals de thuiszorg en de ondersteunende en activerende begeleiding van mensen met een beperking. Hoofdvraag op het congres was ‘hoe effectief, betaalbaar en cliëntgericht’ de Wmo is en hoe gemeenten zich kwijten aan hun nieuwe welzijnstaak.

‘De Wmo wérkt en gemeenten voeren de wet uit zoals die is bedoeld,’ stelde Bert Holman, Wmo-projectleider is op het ministerie voor Volksgezondheid, welzijn en sport (VWS) en de eerste spreker op het congres, tevreden vast. Voor de zekerheid voegde hij toe wát de bedoeling is: het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een hulpvraag of beperking. ‘De Wmo is een participatiewet, geen zorgwet,’ aldus Holman.

Maar al snel werd duidelijk dat de Wmo nog niet voor iedereen werkt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deed onderzoek naar ervaringen van gemeenten en cliënten met de Wmo de eerste drie jaar en presenteerde de resultaten daarvan. Een opmerkelijke bevinding is dat 50% van de geïnterviewden met een beperking geen hulp of voorziening uit de Wmo nodig zei te hebben, terwijl 12,5% van de ondervraagden zei juist meer ondersteuning of zorg nodig te hebben. Onderzoekster Mirjam de Klerk van het SCP tijdens het congres: ‘Daaronder vallen vooral mensen met psychische en vermoeidheidsklachten in de leeftijdsgroep van 18-55 jaar. Zij zijn op dit moment onvoldoende zelfredzaam.’ Even opmerkelijk is dat de SCP-onderzoekster nog geen effect van de Wmo op de maatschappelijke participatie van mensen heeft kunnen vaststellen; het meedoen in de wijk of het deelnemen aan activiteiten en (vrijwilligers)werk is niet toegenomen.

Wat deelname aan lokale Wmo Adviesraden en beleidsvorming betreft is bekend dat ouderen en mensen met een lichamelijke beperking goed zijn vertegenwoordigd, terwijl Ggz-cliënten zijn ondervertegenwoordigd in de Adviesraden. Ook bij politieke participatie vallen mensen met psychische problemen tot nu toe meestal buiten de boot. Het congres Welzijn Nieuwe Stijl 2010 bood daar zelf ook een ‘aardig’ voorbeeld van. Een ervaringsdeskundige vrouw wilde het congres op 26 mei bezoeken om op de informatiemarkt boeken te verkopen over de gewenste gastvrije samenleving, die zich openstelt voor mensen met ‘psychiatrisch ongemak’, zoals zij het noemt. Ze had twee billboards gemaakt met teksten over hoe zij zich de toenadering tussen cliënt, buurtbewoner en sociaal werker voorstelt. Er was echter iets misgegaan met haar aanmelding en ze mocht niet naar binnen.

Het cliëntenperspectief werd ingebracht door een op het programma staande zaakwaarnemer, in dit geval Robbert Boersma, directeur van Zorgbelang Zuid-Holland. Om burger- en cliëntenparticipatie bij gemeentelijke beleidsvorming te bevorderen moeten gemeenten en Wmo-adviesraadsleden volgens hem actiever op de verschillende doelgroepen afgaan, in plaats van af te wachten wie zich meld voor deelname aan die adviesraad. ‘Zoek kwetsbare groepen op, betrek mensen met ervaringsdeskundigheid erbij, werk met hen samen en maak met hen een eigen agenda,’ hield hij zijn gehoor voor. Naar zijn mening wordt ervaringsdeskundigheid nog onvoldoende als kracht gezien.

Eropaf

Om die eigen kracht van mensen aan te spreken is er volgens publicist Jos van der Lans, een van de leukste sprekers op het congres, een ander soort professional nodig. De sociaal werker van de toekomst treedt niet bevoogdend op, maar houdt zich ook niet afzijdig. Hij of zij is ‘geen garagehouder die afwacht of iemand zich met panne meldt, maar wegenwacht,’ zei Van der Lans. ‘De nieuwe sociaal werker gaat op mensen af en helpt hen met een klein zetje weer opgang.’

Misschien dat in wijken én op het volgende congres, Welzijn Nieuwe Stijl 2011, plekken kunnen worden ingeruimd voor verdere toenadering tussen ervarings- en sociale professionals.

Dit artikel verschijnt binnenkort in Deviant