Mannelijk onbehagen

Mannenbladen hebben zich nog niet gemeld voor een interview, wel veel damesbladen. Voor  Dylan van Rijsbergen (type nieuwe man), auteur van Het onbehagen van de man, een teken aan de wand.

Dylan van Rijsbergen

Van Rijsbergen: ‘Mannen vinden het een gevoelig onderwerp.’ Hij wil met zijn boek juist hen aansporen zich uit het keurslijf van ‘echte’ mannelijkheid, waarin mannen elkaar gevangen houden, te bevrijden. Nooit zijn er in de maatschappij meer keuzemogelijkheden voor mannen geweest als nu, houdt Dylan van Rijsbergen hen voor. ‘De vrijheid roept. Mannen hoeven elkaar alleen nog maar de ruimte te gunnen daarvan te genieten.’

We zitten met een taakverdeling tussen mannen en vrouwen die niet meer functioneel is, schrijft Van Rijsbergen. Mannen zijn niet per se nodig om vrouwen te beschermen en geld voor het gezin te verdienen, dat doen vrouwen zelf. De huidige samenleving vraagt andere mannen dan 40 jaar geleden. Zij weten echter niet allemaal invulling te geven aan nieuwe vormen van mannelijkheid, waardoor onlustgevoelens kunnen ontstaan. Die kun je overschreeuwen met macho-, cowboy- en gangsta-gedrag of teruggrijpen op beelden van de man als jager, zoals in reclamefilmpjes gebeurt. Of op zoek gaan naar nieuwe mogelijkheden. Dat laatste doet Dylan van Rijsbergen.

Waarom nú een boek over mannelijk onbehagen, de feministische golf is toch allang weggeëbd?

Dylan van Rijsbergen: ‘Omdat er steeds meer tekenen zijn van mannelijk onbehagen met de veranderde verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Er verschijnt het ene na het andere boek met stereotypes over mannelijk gedrag, zoals Wat mannen echt willen van Henk Noort. Een conservatief als Andreas Kinneging (rechtsfilosoof aan de Universiteit van Leiden, red.) komt soms in het nieuws met beweringen over de natuurlijke verschillen tussen de seksen. Die zouden voorschrijven welke bezigheden en eigenschappen een man passen. Mannen zouden niet in staat zijn zich in te leven en voor kleine kinderen te zorgen, etc. Feminisme is Kinneging een vloek. Het zou voor eenzaamheid en verwaarlozing zorgen, zelfs voor zelfvernietiging van het Westen, omdat westerse vrouwen niet hun natuur (als moeder en hoeder, red.) volgen maar zichzelf zo nodig moeten ontplooien, terwijl immigranten veel kinderen krijgen.’

Van Rijsbergen vindt dit niet alleen conservatief en niet meer van deze tijd, maar ook onzin. ‘Daar ga ik graag tegenin, in dit geval met een boek. Een ‘genetische blauwdruk’ bestaat niet. En dat er door de grotere gelijkheid tussen mannen en vrouwen minder kinderen komen, klopt ook niet. In Scandinavische landen, waar meer vrouwen werken en betere voorzieningen zijn om arbeid en zorg te combineren, óók voor mannen, worden meer kinderen geboren dan hier. Nederland zou onder andere de regelingen voor werkende vaders moeten verbeteren.’

Deel je iets van het onbehagen dat je beschrijft?

‘Nee, mijn onbehagen zit juist bij de stereotypering en de eisen waaraan je als man zou moeten voldoen. Mannelijkheid ís niet natuurlijk, je moet het voortdurend bewijzen. Altijd op je hoede zijn, presteren. Mannen nemen elkaar steeds de maat. Ook een vrouw als Beatrijs Ritsema schrijft over mannen die slachtoffer zouden zijn van het feminisme omdat ze geen vrouwonvriendelijke moppen meer mogen tappen en zowel thuis als op het werk door vrouwen worden gedomineerd.

Ik denk dat mannen slachtoffer zijn van hun eigen krampachtige pogingen te voldoen aan een onhaalbaar ideaal van mannelijkheid, zeg Daniel Craig als James Bond. Treffend vind ik de observatie van de Amerikaanse schrijfster Norah Vincent, die enige tijd undercover als man door het leven ging. Ze had verwacht vrijer te zijn dan als vrouw en macht te hebben. Dat was niet zo. Ze voelde zich voortdurend geëvalueerd door haar omgeving en concludeerde dat ‘mannelijkheid leidt tot een deprimerend bestaan, waarin je voortdurend moet voldoen aan onrealistische verwachtingen’.

Het antwoord van iemand als Tijn van Ewijk (ondernemer, onderzoeker van man/vrouwrelaties, red.; ‘mannelijkheidsgoeroe’ volgens Van Rijsbergen) op het kennelijk door mannen ervaren verlies van mannelijkheid spreekt hem evenmin aan. Van Rijsbergen: ‘Van Ewijk is van de ‘remancipatie’, trekt zich met een groep mannen (soms met zonen) terug in het bos. Ze zitten rond de totem en het vuur op trommels te roffelen om weer bij hun oermannelijke kern te komen. Maar ik vind ook niet dat (mijn) mannelijkheid onder druk staat.’

Hoe moet je nog man zijn als je plek als kostwinner niet meer zo vanzelfsprekend is en de baas op je werk misschien wel een vrouw is, stel je als algemene vraag in je boek. En?

‘Mannen zouden zichzelf opnieuw moeten uitvinden. Zij zijn gewend hun identiteit volledig aan hun werk te ontlenen. Valt dat weg, en dat is in deze crisistijd niet denkbeeldig, dan stort hun wereld in. Je bent als man ook vriend, vader of vrijwilliger in een club. Je moet je eigen ‘merk’ zijn, niet iets doen omdat dat van je verwacht wordt als man. Ik ben voor keuzevrijheid. Natuurlijk moeten mannen kunnen kiezen voor een traditionele of moderne rol. Als ze zich maar geen keurslijf laten aanmeten, of dat nu een klassieke rolverdeling is of oermannelijk spierballenvertoon omdat anderen dat voorschrijven. Doe wat jíj wilt, sta daarvoor.

Het gaat mij er niet om dat mannen allemaal watjes moeten worden. Niemand heeft behoefte aan huilebalken. Ik ben zelf heel ambitieus, wil graag wat neerzetten in de maatschappij. Dat is vrij masculien, maar ik hoef niet bovenop de apenrots te zitten. Daar word je niet gelukkig van.’