Formeel en informeel in de participatiesamenleving

voor site Participatie en herstel – november 2015

Zorgcoöperaties, daklozen die hun eigen nachtopvang beheren, buurtmoestuinen en bibliotheken in eigen beheer. Steeds meer burgerinitiatieven dagen gemeenten, welzijnsorganisaties en zorgaanbieders uit anders te werken. Lukt dat en nemen vrijwilligers de voorziening over? Worden onbetaalde ervaringsdeskundigen serieus genomen en werken professionals samen op basis van gelijkwaardigheid? Of kapselen instituties sociale doe-het-zelvers na verloop van tijd ing en gaan zij dan zelf tot de ‘systeemwereld’ behoren? Deze vragen stonden centraal tijdens het Nationaal Laboratorium over formele en informele zorg, 6 november 2015 in De Buurtzaak in Amsterdam. Op het programma stonden theater, inleidingen en dertien labs, zoals workshops op het ogenblik heten, over onderwerpen als wijkteams, basisinkomen, buurtgezinnen en schuldhulpverlening. De dag was georganiseerd door het Tijdschrift Sociale Vraagstukken, Vrije Universiteit en Hogeschool van Amsterdam, Vrijwilligersacademie en Eropaf!.

In de wijk
Iedereen kent waarschijnlijk wel een burgerinitiatief dat moet voldoen aan bureaucratische regels of waarbij sociale professionals gaan bepalen ‘hoe het moet’. Op 6 november kwamen organisaties aan het woord die in ieder geval proberen anders te werken. Zoals Clup Welzijn in Purmerend waar vrijwilligersorganisaties, bewoners en professionals van o.a. Humanitas samenwerken in wijknetwerken. ‘We werken op straat,’ zegt ‘netwerktrekker’ Wouter Burger. ‘De aanpak is kleinschalig, zodat snelle actie en interactie in de eerste lijn mogelijk zijn.’ Als psychiatrische expertise nodig is, probeert men de Ggz erbij te betrekken zonder belemmerd te worden door indicaties en financiële kaders. ‘De gemeente bekostigt de zorg flexibel.’ De sociale wijkteams, die integrale zorg en ondersteuning moeten bieden en burgers activeren, zijn in Purmerend onderdeel van de wijknetwerken. ‘Je moet als professional niet boven de andere deelnemers gaan staan.’
In Leeuwarden is zijn acht frontlijnteams actief, elk team in een andere wijk. Welzijnsorganisaties en zorgaanbieders leveren gedetacheerde professionals voor de teams. De oude grote welzijnsstichting is verdwenen. In het frontlijnteam zijn de professionals specialist, voor bewoners generalist. ‘We gaan op mensen af, bellen huis aan huis aan en sturen geen brieven,’ vertelt teamleider voor twee wijken Nynke Altinga. ‘We halen alles op, opvoedproblemen, schulden en sociaal isolement. Zien we onder schooltijd een leerplichtig kind op straat, dan gaan we er achteraan tot we contact met de ouders hebben. Zijn de gordijnen bij iemand langer dan normaal dicht, dan bellen we aan. Als iemand niet opendoet, schuiven we een briefje onder de deur door. Is jeugdzorg of participatie nodig, dan schrijven we daar zelf de indicaties voor. Als specialistisch aanbod nodig is koppelen we dat terug naar het team.’ De frontlijnteams werken ook samen met buurtinitiatieven en vrijwilligers. Zo is in een van de wijken een zorgcoöperatie opgericht, in een andere wijk is een buurtmoestuin ontstaan, een buurtwinkel, taalpunt en sportpark. Nynke Altinga: ‘Zo versterken we de nulde lijn en ontstaan veel nieuwe verbindingen in de wijk.’

Gelijkwaardig
Deze professionals in Purmerend en Leeuwarden werken onder de mensen dus, ondersteunen burgerinitiatieven en werken samen met vrijwilligers. Het lab over sociale wijkteams werd (uitstekend) geleid door ervaringsdeskundige Astrid Philips van Team ED. Maar aan de discussie namen geen vrijwilligers uit beide gemeenten deel om te vertellen hoe zíj tegen de samenwerking met de wijknetwerken in Purmerend en de frontlijnteams in Leeuwarden aankijken. Men heeft het in Purmerend overigens niet meer over ‘professionals’ en ‘vrijwilligers’. Wouter Burger: ‘Wij zeggen betaalde en niet-betaalde krachten.’ Of vrijwilligers de betaling van beroepskrachten ongelijkwaardig vinden en of onbetaald meewerkende ervaringsdeskundigen zich wel eens gebruikt voelen, werd niet duidelijk. Noch wat betaalde krachten vinden van de mogelijk verschillende inzet van hun niet betaalde collega’s. Het verloop onder vrijwilligers kan immers groot zijn, waardoor de continuïteit van diensten niet is gegarandeerd. Het informele aanbod zit ook niet in het sociale wijkteam. Over de aard van de samenwerking waren en bleven de deelnemers het echter volmondig eens: die is gelijkwaardig of moet dat zijn. ‘Het kan niet zo zijn dat een professional de vrijwilligers ‘erbij’ betrekt. De vrijwilligers zijn trouwens meestal in de meerderheid.’

Genuanceerd
We plaatsen initiatieven van onderop bijna vanzelfsprekend als ‘goed’ tegenover de gevestigde, van boven komende orde. Het lijkt ideaal om het informele altijd te verkiezen boven het formele en de bureaucratie, stelt hoogleraar Justus Uitermark van de Erasmus Universiteit Rotterdam. ‘Buiten de gevestigde kaders vinden we creativiteit en vernieuwing. Maar informaliteit kan ook beklemmend zijn, terwijl formalisering een bevrijding uit oude afhankelijkheidsrelaties kan betekenen.’ Ouderen en chronisch zieken zijn vaak blij dat zij niet (uitsluitend) afhankelijk zijn van de zorg van hun kinderen of naasten, dat zij een beroep op professionele zorg kunnen doen. Justus Uitermark: ‘Formele instituties beschermen ook tegen uitsluiting.’ Hij meent dat de overheid met haar formele kaders het beste op afstand kan blijven maar tegelijkertijd burgerinitiatieven moet faciliteren en ondersteunen. ‘Burgerinitiatieven kunnen formele systemen beter maken.’
Vergeleken met de, vaak peperdure, welzijnscongressen op de zakelijke eventmarkt, was dit Nationale Lab een vrolijke verademing. Dit zijn de mensen die het samen moeten doen: betrokken en creatieve burgers, beroepskrachten en denkers, financiers en beleidsmakers/wetgevers. Echt borrelen en bruisen deed het naar mijn mening niet in het Nationale Lab, maar veel mensen zullen zeker nieuwe verbindingen zijn aangegaan. De chemie was wél goed.

http://www.participatieenherstel.nl/verslag-congres-nationaal-laboratorium-burgers-buitenlui-en-beleidsmakers/1026347