Gevangenisdirecteur doet appèl op samenleving

Verwarde mannen en (ex-)gedetineerden met ernstige stoornissen beheersen geregeld het nieuws. De verdachte van de moord op Els Borst en een uit de gevangenis ontsnapte psychiatrisch patiënt, zijn zulke mannen. De eerste gaf zich aan en smeekte om te worden vastgezet. Fouten en misverstanden bij het gezag verhinderden dat. De ‘ontsnapte’ gevangene uit de gevangenis in Vught, hield zich niet aan afspraken van zijn reclasseringsverlof. Mannen met een ernstige psychiatrische stoornis die een misdrijf pleegden zijn niet meer dan ´passanten’ in de gevangenis, zegt Erik Masthoff, directeur Zorg en behandeling van Penitentiaire Inrichting (PI) in Vught. Zij zitten als verdachten of veroordeelden kortdurend vast en komen dan de maatschappij weer in. ‘De samenleving moet wat met hen.’
Een groot deel van de gedetineerden in Nederland heeft een psychische stoornis, een verstandelijke beperking, een verslaving of een combinatie daarvan. Voor de ernstigste patiënten zijn Penitentiaire Psychiatrische Centra in vier gevangenissen ingericht, onder andere in PI Vught. Erik Masthoff: ‘In 2014 stroomden 751 nieuwe mannen in, de helft van hen psychotisch. Wij stabiliseren hen, geven medicatie en proberen hen te motiveren voor behandeling na detentie. In twee derde van de gevallen lukt dat en dragen we de mensen over aan een ggz-instelling, Veiligheidshuis of begeleid wonen. Als nazorg bellen wij na zes weken nog eens hoe het met hen gaat, daarna verliezen we hen uit het oog. We hebben niet de menskracht om ex-gedetineerden langer in de gaten te houden.

Drang en dwang
Deze gang van zaken is al een verbetering vergeleken met vroeger. Stoornissen waren toen niet in beeld en/of werden niet behandeld. De kerntaak van gevangenis of huis van bewaring was straffen, na detentie was het klaar. Nu is wat er daarná gebeurt belangrijker dan het zorgaanbod tijdens gevangenschap, zegt Erik Masthoff, die van beroep psychiater is en naast zijn managementtaken ook behandelt. ‘We zijn vanaf dag één bezig om vervolgzorg te regelen. Maar zelfs als die er is, gaat het in de vrije samenleving toch vaak al snel weer mis, door drugs, werkloosheid of verkeerde vrienden. De stoornis vormt een extra risico voor herhaald in de fout gaan. De meeste mannen zien we hier vaker, het merendeel is recidivist. Als er geen rechterlijke maatregel meer op zit, kan zo’n man gaan en staan waar hij wil. Mensen met een psychose hebben weinig ziektebesef en staan niet open voor verdere behandeling, terwijl ze goed behandelbaar zijn.’ De enige manier om hen verder te behandelen is een wettelijk verplichte behandeling na detentie, meent Masthoff. Nu is die in de BOPZ geregeld, straks in de Wet verplichte Ggz. ‘Ik ben terughoudend waar het drang en dwang betreft, maar voor sommige patiënten is het de enige manier om te zorgen dat ze niet in zeven sloten tegelijk lopen.’
Volgens hem beseffen publiek, politiek en zorgprofessionals onvoldoende hoeveel delinquenten een ernstige stoornis hebben en dat zij niet langdurig worden ‘opgeborgen’. Masthoff: ‘Iedereen krijgt vroeg of laat met hen te maken. Gemeenten, zorginstellingen, burgers. Wij gaan in het gevangeniswezen uit van een levensloopbenadering: de mensen zijn al patiënt als ze bij ons komen en zullen dat ook na detentie zijn. Onze zorg en behandeling is belangrijk maar slechts een kleine schakel in het grotere geheel. Anderen moeten het na detentie overpakken.’ Dat lukt helaas maar matig, vindt hij. ‘Op de Ggz wordt fors bezuinigd, 30% van de bedden verdwijnt. Patiënten kunnen de autonomie die de overheid van ‘gewone’ burgers verwacht niet aan en de maatschappij is weinig verdraagzaam tegenover deze groep.’

Oefenen in de maatschappij
Om de zorg na detentie zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de korte behandeling in de gevangenis, beginnen sommige behandelaars van de regionale Ggz-instelling, met wie PI Vught samenwerkt, al voor het einde van de straf met hun behandeling. Deze werkwijze, in vakjargon ‘warme overdracht’ en ‘ketensamenwerking’, hanteert men nu bij enkele tientallen gedetineerde patiënten per jaar, niet de honderden passanten die PI Vught jaarlijks ‘omzet’. Hoewel twee derde van de ex-gedetineerden uit PI Vught die nazorg nodig hebben aansluitend ergens wordt geplaatst, is het vaak geen duurzame oplossing. ‘We roepen in Nederland al twintig jaar dat we goed moeten samenwerken en dat we de zorg beter moeten coördineren, maar de aanbieders van zorg, huisvesting en werk met wie onze moeilijke klanten te maken krijgen, verschillen te veel van de structuur tijdens detentie. De therapie en medicatie tijdens de vervolgzorg kunnen dezelfde zijn als bij ons, de context verschilt. Hier binnen hebben we extern opgelegde regels en een structuur waarbinnen de mannen gedijen. Ze gaan bovendien clean weg, terwijl ze buiten vrij zijn en weer aan drugs kunnen komen.’ Masthoff zou het beste uit de twee werelden willen combineren: een juridisch kader om mensen na detentie door te behandelen, maar dan zonder vrijheidsbeperking. Als het goed is gaat de aanstaande Wet gedwongen Ggz daar in voorzien. Verdachten met een ernstige psychische stoornis, die niet gek genoeg zijn voor de Ggz en niet crimineel genoeg voor detentie, kunnen dan een zorgmachtiging van de rechter krijgen, zonder veroordeeld te worden. ‘Een civiele titel waar de reguliere Ggz mee aan de slag kan,’ zegt Masthoff. ‘Voor onze zieke mannen zou er na detentie een zorgcontinuüm moeten zijn. Structuur helpt, dat zie je ook aan dalende recidivecijfers.’ Precieze cijfers kan Erik Masthoff niet geven. ‘Je kunt immers ook recidiveren zonder gepakt of gestraft te worden,’ zegt hij, ‘maar zeker is dat het door toegenomen medicijngebruik en gedwongen afkicken beter gaat met hun gezondheid en het extra risico van ziekte voor recidive vermindert. Ik ben al blij als we zo’n man ietsje beter kunnen krijgen.’ Graag zou hij meer doen, maar regels verhinderen dat. Zo zou PI Vught bijvoorbeeld met patiënten in de maatschappij willen oefenen, net zoals tbs’ers met verlof. ‘Onze klanten kunnen echter niet resocialiseren, dat mag niet. Ze zitten binnen óf buiten.’