Jeugdzorg op weg naar volwassenheid

PM, magazine voor de overheid – 2008

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid pleit in zijn rapport Bewijzen van goede dienstverlening (2004) al voor lerende organisaties voor maatschappelijke dienstverlening, die hun expertise ontwikkelen door zelfreflectie en toezicht. In de jeugdzorg is dit proces in volle gang. Joke de Vries, hoofdinspecteur van de Inspectie jeugdzorg, en Adri van Montfoort, lector Jeugdzorg en jeugdbeleid laten hun licht schijnen over professionalisering.

De Vries juicht toe dat het onderwerp professionalisering zo prominent op de agenda staat. De Inspectie heeft er lang genoeg voor aan de bel getrokken. ‘De aandacht is steeds naar het verminderen van de caseload gegaan, maar professionalisering vind ik veel belangrijker, zowel van uitvoerende medewerkers als van de managers.’ De hoofdinspecteur formuleert het probleem voorzichtig: ‘Medewerkers in de jeugdzorg zijn bevlogen en begaan met de kinderen en hun gezinnen. Ze doen hun best, maar hebben te weinig professionele handvatten voor hun werk. Ze moeten meer steun krijgen vanuit het management en vanuit hun beroepsgroep.’
Van gezinsvoogden, om met een gezichtsbepalende groep jeugdzorgwerkers te beginnen, mag verwacht worden dat zij kunnen signaleren wat er mis is in de gezinnen waar zij komen, vindt De Vries. ‘Zij moeten dat niet alleen opschrijven, maar ook actie ondernemen. Voogden beschikken idealiter over voldoende bagage om te kunnen beoordelen wat hen te doen staat. Dat is bijvoorbeeld vanaf het begin duidelijke afspraken maken met de ouders. Zijn er verschillende hulpverleners bij een gezin betrokken, dan moet er onderling goed worden gecommuniceerd. De gezinsvoogd heeft de regie en spreekt samenwerkingspartners aan op hun taak en verantwoordelijkheid. Bij calamiteiten zien we regelmatig dat er niet adequaat op signalen wordt gereageerd.’
Een gezinsvoogd moet ‘niet solitair’ optreden, vindt de hoofdinspecteur. ‘Teamleiders horen de handelwijze van een gezinsvoogd door te nemen en te checken.’ Een dergelijke ingebouwde double check vergroot de zekerheid dat juiste beslissingen worden genomen. Joke de Vries benadrukt dat het haar niet gaat om controle door leidinggevenden vanuit een houding van achterdocht. Wat haar betreft is goed intern toezicht een vast onderdeel van professioneel handelen, dat met respect moet gebeuren.

Geen standards
De Vries kan wel een oorzaak noemen voor de gebrekkige professionaliteit: ‘Er is geen opleiding voor gezinsvoogden, met een doorlopende lijn van de opleiding naar het beroep. Een traditie met een wetenschappelijke onderbouwing van het vak, zoals bij geneeskunde, ontbreekt en competenties moeten nog worden ontwikkeld.’ De verschillende beroepsgroepen in de jeugdzorg gaan wat De Vries betreft samen met het HBO werken aan goed vakonderwijs.
Zij vindt in ieder geval Adri van Montfoort, de kersverse lector Jeugdzorg en jeugdbeleid aan de Hogeschool Leiden, aan haar zijde. Professionalisering van jeugdzorgwerkers is deel van zijn opdracht. Van Montfoort zet een tweejarige masteropleiding op voor ervaren beroepskrachten. In september 2008 start de eerste groep, die gaat reflecteren op ingewikkelde beroepssituaties en casuïstiek zal uitwerken. Uit de aanmeldingen tot nu toe blijkt dat het om een gemêleerde groep gaat: leidinggevenden en uitvoerenden uit de jeugdzorg, een justitiële inrichting en de kinderbescherming. Daarmee staat automatisch ook ketensamenwerking op het programma: ‘Mensen denken vaak te zeer vanuit hun eigen vak, terwijl ze in het belang van het kind overstijgend moeten werken,’ zegt Van Montfoort. Hij vindt dat professionals daarbij moeten putten uit een mix van benaderingen van probleemsituaties. ‘Ik heb bezwaar tegen het centraal stellen van één manier van werken. Afhankelijk van de situatie kom je als professional tegemoet aan vragen van cliënten of treed je normatief op. Met een risico van gebroken armpjes en beentjes ga je anders om dan met gedragsproblemen.’
De Vries en Van Montfoort spreken, los van elkaar, allebei uit geen behoefte te hebben aan nieuwe protocollen van de manier van werken. Joke de Vries: ‘Alsjeblieft geen standaardlijstjes waarop medewerkers één, twee en drie afvinken. Ze moeten altijd blijven nadenken, elke situatie is verschillend. Als de professionals maar weten welke interventies werken en waaróm ze werken.’ Adri van Montfoort bevestigt dat en is net als De Vries van mening dat professionals nooit iets alleen moeten doen: ‘Ik houd hen voor altijd een collega te vragen hoe die erover denkt. Dat verkleint de kans dat het misgaat.’ Hij vindt bovendien dat leidinggevenden weer inhoudelijk leiding moeten geven. Van Montfoort: ‘Vroeger was de teamleider een ervaren professional, die met verstand keek naar het kind en het gezin. De afgelopen tien jaar kwamen er teamleiders zonder achtergrond in de sector. Ik wil een herwaardering van de directe en inhoudelijke ondersteuning van de uitvoerende werkers.’

Aparte beroepsopleiding?
Het Leidse lectoraat zet ook een minor op, een keuzevak Preventie en vroegsignalering: de beroepskracht in het centrum voor jeugd en gezin voor vierdejaars HBO-studenten van verschillende studierichtingen. ‘Het is een eerste stap in de richting van een specialisering in ‘jeugd’, zegt Adri van Montfoort. In de landelijke HBO-wereld speelt de vraag of er een aparte opleiding jeugdzorg moet komen. Van Montfoort. ‘Een aparte HBO-opleiding is mogelijk, maar specialisering in jeugdzorg kan ook in varianten binnen bestaande studierichtingen. Ik zou de verbindingen met maatschappelijk werk, sociaalpedagogische hulpverlening en pedagogiek in het oog willen houden.’

Er is nog een weg te gaan, stelt Joke de Vries, voordat de expertise die de sector opbouwt zich als een olievlek heeft verspreid en overal in de praktijk is doorgedrongen. ‘Laat mensen vooral veel bij elkaar in de keuken kijken.’

Actieplan professionalisering jeugdzorg
Met Operatie Jong is blootgelegd op welke punten jeugdbeleid en jeugdhulpverlening verbeterd kunnen worden. Het coördinerende programmaministerie voor Jeugd en Gezin moet de operatie afmaken. In dat kader is er in opdracht van minister Rouvoet door beroepsverenigingen, werkgevers van jeugdzorgorganisaties, hoger onderwijs en het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) het Actieplan professionalisering jeugdzorg opgesteld. Taken en thema’s waarmee zij, in deelprojecten, aan de slag gaan zijn actualisering van de opleidingen, het ontwikkelen van een duidelijke beroepenstructuur, nascholing, versterking van de verschillende beroepsverenigingen, beroepsregistratie, tuchtrecht en beroepscode. Het NJi coördineert de uitvoering van het Actieplan en de verschillende deelprojecten. ‘Het is van belang dat medewerkers in de jeugdzorg weer trots zijn op hun beroep,’ stelt programmacoördinator Marianne Berger van het NJi.
Contact: Marianne Berger, NJi, t: 030 2306532, e: m.berger@nji.nl. Meer informatie: www.nji.nl/professionaliseringjeugdzorg