Met strakke hand. De 10 geboden van het Sweelinck

Het Parool – 2002

Voor een uitlating als ‘kut-Marokkanen’ kan een VMBO-leerling van het Sweelinck College een dag worden geschorst. Ook op een vechtpartij of het uitschelden van een leraar volgt schorsing. De meeste leerlingen kijken dus wel uit om rotzooi te trappen. Niet alleen de afbeelding van Calvijn in het trappenhuis kijkt streng op de kinderen neer, ook de conciërge heeft de wind er onder. Om het statige gebouw met gebrandschilderde ramen binnen te komen ná aanvang van de lessen, moet er worden aangebeld. Voordat ze ‘door’ mogen, leggen de leerlingen verantwoording af over het waarom van de verlate entree. Rennen zij vervolgens de trap op, dan worden zij gemaand het rustig aan te doen. “Ze moeten zich gewoon gedragen”, zegt de conciërge, zelf van allochtone afkomst. Tijdens spitsuren komen leerkrachten de poortwachter om beurten assisteren om mogelijke onwelvoeglijkheden in goede banen te leiden.
In de hoek van de hal hangt een affiche over het opruimen van rotzooi. Er tegenover hangen de tien geboden van Sweelinck. Discrimineren en dingen stuk maken zijn verboden, evenals het dreigen met geweld en het maken van seksueel getinte opmerkingen. Het laatste gebod betreft de taal: op en rond de school spreken de leerlingen Nederlands met elkaar.

Schouder aan schouder met het door stalen hekken afgeschermde Amerikaanse consulaat aan het Amsterdamse Museumplein staat het Sweelinck College. In september 2001, drie dagen naar de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon, stonden journalisten voor de school te hengelen naar anti-Amerikaanse uitlatingen van islamitische leerlingen. Op een overwegend zwarte VMBO school met 430 leerlingen is het niet moeilijk een heethoofd te vinden met de emoties die je zoekt. Maar wordt daarmee recht gedaan aan hoe de jongeren zijn en denken? Of snelt, zoals bij Marokkaanse jongens het geval is, hun slechte naam hen al vooruit?
Incidenten met deze groep halen de laatste jaren voortdurend de pers. Net als met gewelddadige voetbalsupporters of demonstranten het geval is, bederven ‘criminelen’ – het verkleinwoord is in de ban gedaan – het voor de anderen. Maar hoe zien die er eigenlijk uit?

Hoofd koel houden
Samir Jabbar, Youssef Mezouari en Hicham Mimouni zitten in groep 3b van het Sweelinck en volgen de theoretische leerweg. Zij houden zich verre van geweld en misdragingen, op school en op straat. “Rotzooi trappen is slecht voor de maatschappij en ook een slecht voorbeeld voor kleine kinderen”, meent Youssef. Hij is veertien en komt uit de Spaarndammerbuurt. Thuis wordt meestal Arabisch gesproken, met zusjes en broertjes soms Nederlands. Met zijn vrienden spreekt Youssef een s-taal: (onverstaanbaar) Nederlands met overal s-en tussendoor.
Zij hebben last van het slechte imago van Marokkaanse jongens. Hicham (15): “Bijvoorbeeld in de supermarkt. Je staat ergens en je wilt wat kopen en dan kijken ze naar je, ze verwachten dat je steelt.” De jongens betreuren de vooroordelen die het wangedrag van hun leeftijdgenoten opleveren, maar ze lijden er niet onder. Samir, ook 15 jaar: “Men mag over ons denken wat men wil, ze bekijken het maar.” Hij voelt zich niet aangesproken, laat staan verantwoordelijk: “Op mijn leven heeft het geen invloed, het is hún fout. Mensen moeten zich gedragen. Misschien ligt het aan de opvoeding of gaan ze om met verkeerde jongens. Ik vind het wel jammer wat zij doen, maar je kunt het niet tegenhouden.” Ingrijpen als jongens bijvoorbeeld meiden lastigvallen in het zwembad, doen ze alleen als ze de boosdoeners kennen. Hicham: “Je moet gewoon je hoofd koel houden. Onze naam wordt slecht gemaakt door die jongens. Ik vind het jammer dat sommigen het verpesten voor de groep.”
Een vooroordeel over Marokkanen meer of minder, lijkt hen niet echt te raken. Maar Pim Fortuyn gaat te ver: “Hij beledigt ons, onze taal en ons geloof. Met zijn grenzen dicht voor islamieten”, zeggen Samir en Hicham fel. “Of mensen moslim zijn of niet, dat moeten ze zelf weten.”

Grijp je kans
Zelf hebben de jongens andere plannen dan een loopbaan in een draaideur. Ze hebben economie als hoofdvak gekozen. Samir wil manager worden. Hij is goed op school en neemt op straat altijd de leiding. Na het VMBO wil hij naar de HAVO. Hicham wil eerst naar het MBO en daarna – als hij het kan – naar het HBO. “Ik wil boekhouder worden, net als mijn oom. Op kantoor werken lijkt me leuker dan in de techniek of landbouw. En je verdient goed.”
De jongens worden van huis uit gestimuleerd. De deal is helder. De vader van Youssef heeft gezegd: “We geven je een TV en een computer en vragen ervoor terug dat je leert, voor je eigen bestwil.” Zoals zoveel kinderen wordt hij grootgebracht met de bedoeling het zover mogelijk te schoppen. Youssef: “Het is belangrijk voor je toekomst om een hoog niveau te halen.” Ook de vader van Hicham zegt: “In Marokko krijg je niet zo’n kans, dus neem die kans!” Hij heeft een broer en drie zussen. Zelfs als het goed gaat op school, jutten ze hem op. “Altijd moet het beter. Ze willen het beste voor me.” Ouders bemoeien zich ook met wat hun kinderen uitvoeren op school of in de vrije tijd. Youssef: “Je moet tijd aan je huiswerk besteden. Er wordt thuis gesproken over school. Als ik buiten ben geweest moet ik zeggen wat ik heb gedaan.”

Hoog in de bol
Jorrit Efdé coordineert de derde klassen en is mentor van klas 3b. Van de tweeëntwintig leerlingen in die klas zijn vijftien kinderen van Marokkaanse huize, drie meisjes en twaalf jongens. De leerlingen zijn gemotiveerd en kunnen goed met elkaar opschieten. Efdé: “Ze komen om te werken en doen erg hun best. De meeste leerlingen hebben het hoog in de bol. Het zijn de managers van de toekomst. Met hen is niks aan de hand.”
Er wordt niet gespijbeld in 3b, maar deelname aan een werkweek in de Ardennen is voor velen een brug te ver. Mogelijk drank- of drugsgebruik en ander vertier weerhoudt ouders van toestemming.
Jorrit vindt de ouders betrokken bij het onderwijs van hun kinderen. Zij hebben alles voor hun kinderen over en verwachten er veel van. Bij de rapportuitreiking komen tegenwoordig steeds meer vaders én moeders. “Het zijn gewoon vlotte ouders, contact stellen ze erg op prijs.”

Op de begane grond van het Sweelinck is de kantine. In de pauzes is het er stampvol. Een kakofonie van bewegelijke pubers met zwaaiende lichaamsdelen. In de hoek schalt swingende muziek van popzender The Box. Verschillende jongens stoeien. Groepjes meiden praten of hangen, een half oog op de TV gericht. Veel lachende gezichten en veel lege chipszakjes op de grond. Met welwillende spot wordt ik bekeken. Als kennelijke nieuwe leerkracht word ik uitgetest. “Wat een kop!” zegt een jongen. “Alles goed?”, vraagt een ander. Als ik een paar jongens vraag waarom het met de ene jongere gewoon goed gaat, terwijl de ander voor rottigheid zorgt, haalt iemand zijn schouders op: “Ze komen er wel achter, als ze er niks van maken.” Wanneer de bel gaat, stroomt de kantine leeg. Drie leerlingen pakken een bezem en vegen de grond aan.

Lokaal 16
Het Sweelinck heeft sinds jaar en dag een sterke bemoeienis met het wel en wee van de leerlingen. Het toezicht houdt het midden tussen aandacht en controle. Uit de omgang tussen schoolleiding, leerkrachten en leerlingen blijkt betrokkenheid. Er is veel persoonlijk contact. Men heeft zowel oog voor mooie nieuwe kleren als voor problemen thuis. Absentie wordt gemeld en besproken. Wanneer daar aanleiding voor is, wordt de opgegeven reden gecheckt. De functie van mentoren is zwaar aangezet. Elke klas heeft wekelijks mentorlesuren. Tegenwoordig is er maandelijks zorgoverleg met hulpverleners van buiten de school, waar de aanpak van moeilijke leerlingen wordt besproken en zonodig bijgesteld. Hoewel het zorgbudget ontoereikend is stelt directeur Marian Konijn met gepaste trots dat het Sweelinck, met minder middelen dan andere scholen, turbulenties binnen de perken weet te houden.
Behalve de eerder genoemde conciërge met de dwingende ogen, zijn er nog verschillende andere centrale figuren, waaronder mevrouw John, bekend onder de naam ‘Johnnie’. Leerlingen die uit de klas zijn verwijderd of worden aangetroffen op plekken waar ze niet horen te zijn, komen terecht bij mevrouw John in Lokaal 16. Zij vangt de jongeren op, sust en brengt zonodig de gemoederen tot bedaren. Menige kwestie – met leerlingen, maar ook met ouders – is onder haar gezag gepacificeerd.
De leerlingen lijken wel te varen bij de combinatie van zorg en lik op stukbeleid. Afwezigheid van ‘Johnnie’ wordt als gemis ervaren en niet zozeer als kans om eens flink uit de band te springen.

Zwarte school
Het slechte imago van zwarte scholen en dito kinderen is directeur Marian Konijn een doorn in het oog. Het Sweelinck wordt met strakke hand geleid en behaalt goede resultaten. VWO en HAVO zijn een aantal jaar geleden weliswaar uitgeplaatst naar witte scholen, omdat leerlingenaantallen (niet de leerprestaties) terugliepen. Als VMBO met gemengde en theoretische leerweg zit het Sweelinck echter in de lift. Leerlingen komen vanuit de hele stad. Marian Konijn verwacht dat hun aantal verder zal toenemen tot ongeveer 550.
Met het vervullen van vacatures heeft de school evenmin problemen, eerder is het omgekeerde het geval. De directeur heeft verschillende potjes op het vuur staan: zij graast de markt af om mensen met specifieke deskundigheden voor de school te spotten, om hen te kunnen contracteren zodra er plek is. Het Sweelinck is opleidingsschool voor de Educatieve Faculteit Amsterdam en haalt daarmee studenten in huis die er later mogelijk komen werken. Omdat het prettig werken is op het Sweelinck levert ook mond op mondreclame geregeld een nieuwe leerkracht op.
“De meeste leerlingen zijn schatten van kinderen,” zegt Marian Konijn, “zeker als je ze stuk voor stuk bekijkt. Veel van de rust op school komt door de gestroomlijnde organisatie. De kinderen weten waar ze aan toe zijn. Als leerkrachten geen duidelijkheid uitstralen, slaat dat terug op de kinderen.”
Natuurlijk heeft de school ook raddraaiers in huis. Vooral jongeren die elders al een schoolloopbaan achter de rug hebben en op het Sweelinck nog hun diploma proberen te halen, hebben wel eens lak aan regels. Jorrit Efdé: “Maar vervelend gedrag is nog geen crimineel gedrag.” En ook de conciërge pareert de vooroordelen ten aanzien van zwarte scholen: “Kleur zegt niks. Het gaat om het gedrag van de kinderen.”