Berichten uit 1945 en 1946

Onlangs stuitte ik op een brief van m’n moeder over de verwoestingen die zij in 1945 als 22-jarige in Arnhem aantrof bij terugkeer na ‘de evacuatie’ , een begrip in mijn jeugd.

Én op een artikel dat m’n vader in 1946 schreef voor De Gelderlander, tijdens zijn ‘specialen reis door Duitschland, tot in het hart van Berlijn toe.’ Met dit artikel opent de krant een reeks van zijn hand over de erfenis van het Derde Rijk. Hij sprak o.m. met ‘een aantal politieke leiders der duitsche christenheid, een der weinige lichtpunten in het somber duister van het hedendaagsche Duitschland’.

Dat mijn ouders, zoveel jaar na dato en inmiddels na hun dood, worden gehoord.

GETUIGENIS TILLY JANSSEN UIT VERWOEST ARNHEM, 1945

‘Je waait bijna het huis uit!’

Arnhemse evacués die terugkeren na maandenlange omzwervingen, zijn geschokt over de verwoesting van hun huizen en stad. ‘De oude binnenstad is één puinhoop. In de Steenstraat zijn nog maar een paar huizen bewoonbaar. Verder is alles uitgebrand en met de grond gelijk. Een vreselijk gezicht,’ schrijft Tilly Janssen, geboren en getogen Arnhemse,  op 10 juni 1945 in een brief aan haar moeder en zus, die nog bij familie in Rotterdam verblijven.

De ontreddering onder de evacués is groot, maar de blijdschap weer terug te zijn overheerst. Buren vallen elkaar om de hals en op straat klinken voortdurend verheugde kreten: “Ha Janssen, weer terug!” Met een veerkracht mensen eigen probeert men de zaken op orde te brengen en het leven te hervatten. Inmiddels zijn 11.000 Arnhemmers huiswaarts gekeerd. Zij kunnen aanspraak maken op voedsel (2100 gr. br. per week), een woonvergunning en een permit voor de stad.

In de Lawick van Pabststraat staan mensen met onthutste gezichten te kijken naar een enorme ravage. ‘Brandts op no. 8 had een granaat aan de voorkant, Renes een granaat aan de achterkant. Hoyink is heel erg,’ aldus de teruggekeerde Tilly Janssen sip. ‘Tegenover Dr. Kuiper, tandarts, heeft een V1 drie huizen verwoest. Aan zijn kant is een heel blok uitgebrand, tot aan de Amsterdamseweg. Ook het Diaconessenhuis staat er niet meer.’

Zij en haar vader, graanhandelaar Nol Janssen, zijn hun huis binnengegaan door het raam van de serre. Zowel aan de buitenkant als in het huis zijn vrijwel alle ramen en deuren weg of stuk.‘Dus frisse lucht genoeg! Je waait bijna het huis uit!!,’ laat Tilly Janssen haar moeder weten. ‘Het is een hopeloze rommel en smeerboel binnen, ik kan niet anders zeggen. Alles, alles lag op de grond, overal verspreid en vertrapt. In de keuken stond het groene emmertje voor de aardappels naast ’t fornuis bijna vol met vuiligheid, gr. en kl. behoefte. Een stank, brrr! Emmer en al achterin de tuin gekiept.’

In het dak blijkt een gat van 10 bij 30 cm te zitten, waardoor spullen in de kamer eronder nat zijn. ‘Rozet in het midden van het plafond is naar beneden gekomen, de matras is nat en verrot, slakken en andere beesten kruipen eruit. M’n witte Hongaarse blousje is verspocht.’ Behalve schoonmaken en opruimen, neemt ze nauwgezet de schade op om de gezinsleden, in afwachting van terugkeer, een indruk te geven van wat er nog is, wat weg is en kapot. ‘Alle champagneglazen staan er nog, bowlglaasjes weg, 6 antieke glazen zijn er nog, kristallen vaas ook, maar de hors d’oeuvreschaal is in stukken. In het portret van Umna zit een kogelgaatje. Ook de haard en de klok zijn weg, spiegels zijns kapot en serviesgoed ligt op de grond. Van de leren stoel in de huiskamer is het leer van de zitting en leuning afgesneden.’ De meeste bedden staan er nog wel, maar kussens en dekens zijn verdwenen. In de keuken trof zij een aluminiumpan. ‘De tomatensoep zat er nog in!’

Het is triest wat de Janssens aantroffen, maar ze laten de moed niet zakken. ‘Bij anderen vergeleken valt ’t bij ons mee.’

Op de puinen van het Derde Rijk

Hebben de Duitschers iets geleerd?

(Van onzen specialen verslaggever Jan Onstenk)

BERLIJN, 9 maart 1946 ~ In de geschiedenis van den tweeden wereldoorlog zal weinig vergeleken kunnen worden met de apocaliptische hevigheid van het geconcentreerd bombardement dat op 16 November 1944 in de frontlinie werd uitgevoerd op de steden Düren en Jülich aan den Roer. De bevolking werd per radio gewaarschuwd maar een groot deel kon of wilde niet hooren. Ik zag deze verpletterde steden zoals ik Keulen heb gezien en Münster, Hannover en Wuppertal, Essen, Dortmund en al die andere ontzaglijke puinhopen langs de grote wegen in de Britse zone. Alleen al in Düren liggen 15.000 burgers begraven onder het puin.

Dit onvergelijkelijk massagraf stemt tot diepen weemoed omdat ik wist dat deze offers bijkans nutteloos waren gebracht: dat zij het Duitsche volk niet tot inkeer hadden gestemd. (…) Maar op vele plaatsen moest ik ervaren, dat een aantal nogal ongelukkige eigenschappen van het volk dat ons overviel, knechtte en tot den bedelstaf bracht, op haar beurt sterker zijn gebleken dan de indruk van nederlaag en ineenstorting.

Men kan niet bijzonder optimistisch zijn over de feitelijke aanwezigheid, thans reeds van het goede dat uit dezen oorlog voor het Duitsche volk zou hebben kunnen springen, b.v. aan schuldbesef. Wel vindt er een zeker religieus réveil plaats. (…) Ik weet dat vele duizenden vurig hebben verlangd dat deze oorlog voor Hitler verloren zou gaan omdat zij wisten dat een overwinning Christus zelfs uit de kerken zou hebben verdrongen.

Maar sterker dan dit réveil slaat een vloedgolf van materialisme over Duitschland. Brood, warmte en onderdak zijn belangrijker dan alle andere problemen en ieder vecht meedoogenloos allereerst om het eigen bestaan. Er is een enorme zwarte markt, die haar toppunt vindt bij het Rijksdaggebouw in Berlijn. Er is een groeiende criminaliteit die zich vooral in diefstallen openbaart. Ik hoorde zeggen “Onder Hitler hadden we het toch maar veel beter.” Ik werd begroet als iemand uit het “rijke” Holland! Eenzelfde onvermogen tot zelfstandig en logisch denken, eenzelfden engen kijk op de plaats die Duitschland feitelijk in de wereld innam en inneemt, trof ik talrijke malen. Dit volk heeft het denken verleerd. Het heeft 13 jaar lang geen vrijen blik op de vrije wereld gekend. Het heeft leren gehoorzamen (en hoe leergierig is het geweest!). (…) Nog altijd geldt “Befehl ist Befehl.”

(…) Zal niet juist dit critiekloos aanvaarden de grootste hinderpaal blijken die dit volk scheidt van  een democratie naar Westersch begrip die toch voor Duitschland van morgen de eenig-aanvaardbare oplossing vormt ?